W4 Het Nieuwe Bouwen

Het Nieuwe Bouwen ontstaat in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en geeft gehoor aan een vraag naar functionele gebouwen. De modernistische architectuur kenmerkt zich daarom door open, flexibele plattegrond en vrije gevelindeling en weinig ornamentiek. De woonbebouwing wordt gekenmerkt door een zich herhalend stramien van plantsoenen, omgeven door een helder geordende opstelling van uniforme bouwblokken. De woonomgeving heeft een royaal en parkachtig karakter. De bebouwing bestaat uit uniforme rijtjes van twee lagen met kap. De traveemaat van de woning wordt over het algemeen geaccentueerd door gemetselde schoorstenen.

Hoofdaspecten:

bebouwing en omgeving

  • Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek.
  • Gebouwen of gebouwencomplexen zijn als abstracte composities in de ruimte geplaatst.
  • Bij nieuwbouw is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richting- gevend.
  • Het overwegend gesloten gevelbeeld van rijenwoningen in stand houden.
  • Bij nieuwbouw aansluiten op de ritmiek van gelijke woningblokken.
  • Woningen staan georiënteerd op de openbare ruimte, de voordeuren zijn steeds in het zicht van de openbare ruimte.

Deelaspecten:

massa en vorm

  • Gebouwen bestaan uit eenvoudige rechthoekige bouwblokken.
  • De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing.
  • De bouwmassa is afgestemd op de belendende bebouwing.
  • De bestaande kaprichting en kapvorm zijn richtinggevend.
  • Nastreven van doorgaande gootlijnen en regelmatig geplaatste schoorstenen.

gevelcompositie

  • Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling.
  • De compositie van gevelopeningen vertonen samenhang.
  • Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen en die van de bebouwing in de omgeving.
  • De maat en schaal van de gevelindeling respecteren.
  • De maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen handhaven.
  • De toevoegingen per woning zijn ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok.

Detailaspecten:

materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering

  • Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek.
  • Bij woonblokken die een stedenbouwkundig ensemble vormen de kleuren van gevels en daken op elkaar afstemmen.
  • Voor de hoofdmaterialen bakstenen in aardkleuren toepassen, in combinatie met donkere of rode dakpannen.
  • De mate van detaillering afstemmen op het pand.
  • In de gesloten delen van puien is uitstraling van het bestaande materiaalgebruik uitgangspunt.
  • Voor gesloten puidelen per stedenbouwkundige eenheid een beperkte variatie kleuren toepassen.
  • Bij renovatie of nieuwbouw is de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke in de omgeving richtinggevend.
  • De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw is zorgvuldig en versterkt de expressie van de architectuur.

Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document.

  • Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen.
  • Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen.
  • Kozijnen en gevelwijzigingen.
  • Zonwering.
  • Rolluiken.
  • Zonnepanelen en collectoren.
  • Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied.
  • Erfafscheidingen.
  • Reclame-uitingen.

afdrukken
Het Nieuwe Bouwen De Steeg