C Erven
Erven zijn belangrijke schakels in het landschap. Van oudsher zijn erven op een bepaalde manier ontstaan en gegroeid. Daardoor zijn het duidelijke herkenbare eenheden met een logische plek in het landschap. Bij transformaties van erven is het belangrijk om de herkenbare eenheid en de samenhang met het landschap behouden. Onderstaande richtlijnen zijn daarom ook het uitgangspunt bij erftransformaties, zodat de ontwikkeling van agrarische, burger- en bedrijfserven bijdraagt aan de versterking van het landschap en de ruimtelijke kwaliteit.
1. Landschap
Een erf is een herkenbaar compact ensemble in het landschap met een informele uitstraling. Het bestaat uit een geheel van gebouwen, erfinrichting en beplanting. Het erf is verankerd in het landschap door o.a. positie en oriëntatie van gebouwen, erfbeplanting en sloten. Deze landschappelijke context speelt een belangrijke rol in de ontwerpen voor gebouw(en) en erf. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de karakteristieken van het onderliggende landschap.
a. Oeverwal: Kleinschalig landschap met gevarieerde erfbeplanting en boomgaarden.
b. Komgebieden: De erven vormen groene eilanden in het open landschap.
c. Ruilverkaveling: In de jaren zestig en zeventig zijn in de komgebieden veel nieuwe boerderijen gebouwd, vaak van een gestandaardiseerd type met een kop-hals-rompopzet. Deze erven kennen een planmatige en rationele opzet.
De ruilverkavelingsboerderijen hadden aanvankelijk windsingels om hun erf. De gemeente streeft er naar de windsingels weer terug te herstellen.
2. Erf
De indeling van erven is functionele compositie van gebouwen, infra, beplanting en water. Het erf heeft een karakteristieke ordening dat te herleiden is naar de agrarische functie. Sluit bij nieuwe ontwikkelingen aan op deze kenmerken.
a. Gebouwen sluiten op elkaar aan en vormen een compact ensemble.
b. Onderscheid in hoofd- en bijgebouwen. Het erf wordt gevorm door een aantal gebouwen waarbij er onderscheid is tussen de hoofd- en bijgebouwen. Het hoofdgebouw, van oorsprong de woning of boerderij, staat voor op het erf. De bijgebouwen staan erachter. De bijgebouwen zijn qua uitstraling duidelijk ondergeschikt aan het hoofdgebouw en sober in hoofdvorm en detaillering. Ook qua inrichting van het erf is er onderscheid in ‘voor’ en ‘achter’. De voorkant is representatiever en de achterkant functioneel.
c. Er is één hoofdtoegang tot het erf, ook bij meerdere woningen op een erf. Dit is de kortste route vanaf de openbare weg naar de centrale ruimte op het erf. Beperk de verharding en kies voor materialen die aansluiten bij het landelijke karakter. Parkeren vindt plaats op het achtererf, uit het zicht.Voeg hier de tekst van de alinea in
3. Gebouwen
a. Bij nieuwe woongebouwen op een bestaand erf waar zich al een hoofdgebouw bevindt, is sprake van een schuurtypologie. De woning heeft, overeenkomstig een bijgebouw, een enkelvoudige hoofdvorm met een eenduidige zadelkap met lage goot en natuurlijke materialen.
b. In de Verboden Kringen rondom de forten mocht van oorsprong alleen met hout gebouwd worden. Deze gebouwen konden snel worden afgebroken indien de vijand naderde. Bij nieuwbouw op erven binnen de Verboden Kringen kan houtbouw bijdragen aan versterking van de identiteit van de Waterlinie.
c. Agrarische bedrijfsbebouwing
- Ligt terug ten opzicht van het (historisch) hoofdgebouw op het erf en heeft een eenvoudige hoofdvorm met kap;
- Mag doelmatig zijn gematerialiseerd (geprofileerde beplating) mits het bouwplan geen industrieel uiterlijk heeft en toch passen is in de omgeving; (gemetselde plint?)
- Heeft sobere detaillering en donkere gedekte kleuren die afgestemd zijn op de landelijke omgeving.











