Landelijk gebied 3 Veluwerand
De hellende flanken van het Veluwemassief, globaal liggend tussen de bebouwingskernen van Velp en Dieren, vormen een zone met een eigen ontwikkelingsgeschiedenis en een bijzondere karakteristiek. Kastelen, buitenplaatsen en landhuizen met bijbehorende tuinen, lanen, vijvers, bospercelen en door houtwallen omzoomde velden, bepalen hier in belang- rijke mate het beeld. Op de landgoederen, behorende bij deze kastelen en buitenplaatsen, liggen verspreide bebouwingsclusters van pachtboerderijen en dienstwoningen.
Het bebouwingsbeeld van landgoederen en buitenplaatsen wordt bepaald door een op nadrukkelijke wijze in zijn omgeving geplaatst en fors gedimensioneerd gebouw of cluster van gebouwen. Daarbij bestaat in plaatsing, massa en architectonische behandeling duidelijk onderscheid tussen het hoofdgebouw en de bijgebouwen. De plaatsing van de gebouwen hangt vaak nauw samen met de landschappelijke situatie en met de min of meer gecultiveerde aanleg van de directe omgeving daarvan (lanenstelsels, tuinen, waterpartijen en dergelijke). Afhankelijk van de ontstaansperiode heeft het hoofdgebouw de kenmerken van een historisch kasteel of van een grootschalige villa. De functie, de plaatsing en de vormgeving van de bijgebouwen kan zeer divers zijn. Bij een geconcentreerde plaatsing is vaak een duidelijke afstemming op het karakter van het hoofdgebouw waarneembaar. Bij de verspreid over het landgoed voorkomende gebouwen treedt daarentegen vaak een grotere diversiteit op in functie, massa en architectonische vormgeving. Het gaat om koetshuizen, poortwoningen, boerderijen, stallen, tuinmanswoningen en dergelijke. De binding tussen deze gebouwen is dan meestal terug te vinden in een specifieke detaillering en in overeenkomsten in materiaal- en kleurgebruik, bijvoorbeeld voor kozijnen en voor luiken. Kenmerkend voor de architectuur van de bebouwing op landgoederen en buitenplaatsen zijn in het algemeen de klassieke vormgevingsprincipes, die berusten op symmetrie, een strak geordende horizontale en verticale gevelindeling, verticaal gerichte gevelopeningen en een grote aandacht voor detaillering, ornamentiek en kleurtoepassing.
Daarnaast wordt de bebouwing in de Veluwerand gekenmerkt door boerderijen van het hallehuistype, waarbij woning en schuur onder een kap zitten. Pannendaken en daken met riet zijn veel voorkomend. De detaillering van de woningen is sober. Het kleur- en materiaalgebruik is merendeels terughoudend.
In de Veluwerand komen ook met regelmaat gewone woningen voor. Deze woningen zijn merendeels vrijstaand met pannendaken of riet en kennen een terughoudend kleurgebruik. Een aantal boerderijen behoort tot één van de landgoederen en heeft de daarbij behorende karakteristieke kleurstelling.
De erven zijn over het algemeen kleinschalig met een beperkte hoeveelheid schuren. De erven zijn beperkt beplant, voornamelijk met beuk en eik.
De recreatiewoningen liggen in de bosrand en kenmerken zich door enige terughoudendheid.
Specifiek voor deze omgeving zijn de historische verbindingen tussen de oude dorpskernen en de stuwwallen. Deze historische verbindingen liepen via zogenaamde schaapsdriften. Hierlangs ontwikkelden zich vanuit de dorpskernen verschillende korte linten met zeer ruime villabebouwing. Verspreid vestig- den zich langs de 19e-eeuwse Straatweg tussen Arnhem en Zutphen ook andere functies als hotels, restaurants, pensions, rusthuizen en dergelijke in representatieve, villa-achtige gebouwen. Ook in andere delen van het landelijk gebied komen incidenteel landgoederen en buitenplaatsen voor.
Uitgangspunten welstandsbeleid
Het behoud van dit cultuurhistorische en daardoor ook landschappelijk zeer waardevolle gebied, vraagt om een duurzame landbouw en restrictief beleid ten aanzien van recreatie. De nadruk ligt op recreatief medegebruik van het landelijk gebied en verblijfsrecreatie in de bestaande kernen. Landgoederen en buitenplaatsen hebben door de representatieve verschijningsvorm van gebouwen en de bewuste ingrepen op het omringende landschap, een nadrukkelijke invloed op hun omgeving. Bovendien zijn zij in veel gevallen een toonbeeld van stijlopvatting en architectonisch vakmanschap. Zij vertegenwoordigen naast andere culturele aspecten, met hun bijzondere bouwkundige kwaliteiten een grote cultuurhistorische waarde. Landgoederen en buitenplaatsen worden om die reden meestal onder de bescherming van de Monumenten- wet geplaatst. De doelstelling daarvan is het behoud en eventueel herstel van de oorspronkelijke kwaliteiten en kenmerken van het landgoed in zijn geheel, op basis van een maat- schappelijk verantwoorde functie. Eigentijdse interpretaties en contrasterende oplossingen kunnen in sommige gevallen een verfrissend antwoord bieden, mits deze met grote terughoudendheid, zorgvuldigheid en respect voor de monumentale kwaliteiten worden toegepast.
