Laag Soeren 4 Beschermd dorpsgezicht

Het rijksbeschermde dorpsgezicht omvat het grotendeels open, landelijk gebied ten westen en zuiden van de bebouwde kom van Laag-Soeren. Het gebied wordt globaal begrensd door de randen van de bossen van de Veluwezoom en door het Apeldoorns Kanaal. Het beschermde dorpsgezicht is hoofdzakelijk een kleinschalig kampenlandschap, samengesteld uit een tweetal essen en verspreid voorkomende boerderijen. Het gebied is enigszins geaccidenteerd. Het wordt doorsneden door hier ontspringende beekjes, enkele lanen, houtwallen en kleinere boscomplexen en omzoomd door dichte bosranden. Een centrale zone, met een forse laanbeplanting (Badhuislaan), tuinaanleg, bosaanplant (Plantage) en boerenerven, deelt het gebied in tweeën. Kenmerkend zijn de verspreide bebouwingsconcentraties van boerenerven en de pre-industriële bedrijven langs de Soerense beek. Het gebied heeft een zeer beperkte (auto-)ontsluiting. Het voormalige badhuiscomplex aan de Badhuislaan is de belangrijkste bebouwingsconcentratie in het gebied en omvat een, in vele fasen uitgebouwd, hoofdcomplex en meerdere vrijstaande bijgebouwen (dienstwoningen, logementen, stallen en dergelijke) in de directe omgeving daarvan. De bebouwing behorende bij het kuuroord ligt verscholen in de omringende bebossing.
De bebouwing in het beschermde dorpsgezicht bestaat uit de bebouwing op boerenerven, preindustriële bebouwingconcentraties, enkele burgervilla’s en arbeiderswoningen en het gebouwencomplex van het voormalige kuuroord. Deze bebouwing bestaat in het algemeen uit één of twee lagen met kap. Alleen het voormalige badhuis heeft grotendeels drie lagen met kap. Een zeer specifiek bouwobject is het monument in de vorm van een torenspits op de Soerense Enk.

Historische boerderijen en boerencomplexen

Verspreid in het gebied ligt een beperkt aantal agrarische complexen met een historische boerderij als kern. Opzichzelfstaande kleine historische boerderijen komen in het gebied eveneens voor. De bebouwing van de agrarische complexen omvat bewoning, stalruimte, schuren en andere functionele bouwwerken als silo’s, putten, keermuren en afdaken. Deze bebouwing omvat meerdere objecten, die dicht bijeen en soms onregelmatig ten opzichte van elkaar zijn geplaatst. De boerderijen zijn meestal van het hallehuistype. Beeldbepalend voor dit type is de eenvoudige, langwerpige hoofdvorm waarbinnen woon- en stalgedeelte zijn ondergebracht onder één dominante kap. De kap is aan weerszijde voorzien van een wolfseind en is geheel of gedeeltelijk afgedekt met riet. Het dak heeft een helling van 40° à 50°. De gootlijn is laag. De bijbehorende vrijstaande schuren hebben in veel gevallen dezelfde hoofdvorm als het hoofdgebouw. Ook de detaillering is meestal een sobere interpretatie van die van het hoofdgebouw.

Kenmerken van de historische boerderijen zijn donkere of rode pannendaken, geheel of gedeeltelijk afgedekt met stro en donkerrode baksteengevels. Dakgoten ontbreken in het algemeen. Delen van de gevel kunnen afgetimmerd zijn met hout en in donkere kleuren (groen bruin of zwart) zijn geschilderd. De daken worden aan de voorgevel omlijst met wit geschilderd houtwerk. Staldeuren zijn donker geschilderd, ramen en kozijnen hebben een lichtere kleur die meestal streekgebonden is. Gevelopeningen zijn in veel gevallen en vooral in de naar de weg gekeerde zijde voorzien van kleine accenten als sluit- en hoekstenen. Aan de onderzijde van de gevel beschermt een grijs gestuukte plint het metselwerk tegen opspattend water. In enkele gevallen bestaat de meer recente bebouwing uit lage loodsen voor de intensieve veeteelt. Deze gebouwen wijken in afmetingen, profiel en materiaal sterk af van de oorspronkelijke bebouwing.

Landgoederen en buitenplaatsen

Kenmerkend voor landgoederen en buitenplaatsen is de nadrukkelijke samenhang tussen de positie en de oriëntatie van de bebouwing en de (landschappelijke) inrichting van de bijbehorende terreinen. Het bebouwde gedeelte maakt slechts een klein deel uit van de totale terreinoppervlakte. De bebouwing staat nadrukkelijk op zichzelf of is geclusterd en in een onderling verband geplaatst met een duidelijk onderscheid tussen hoofdgebouw en bijgebouwen. Gebouwen van kleinere omvang en met een specifieke functie als tuinhuis, jacht- huis, dienstwoning, stal of schuur, kunnen incidenteel en verspreid over het terrein of gebied voorkomen. De landschappelijke inrichting van landgoederen en buitenplaatsen kan sterk verschillen, afhankelijk van de tijdsperiode van aanleg en de functie. In veel gevallen is een stelsel van lanen en assen de basis van de landschappelijke inrichting. Op dat stramien zijn bos-, tuin- en waterpartijen aangelegd. In het te beschermen dorpsgezicht worden terreinen en gebouwen (oorspronkelijk) behorende bij het (voormalige) Huis Laag-Soeren en bij het voormalige kuuroord, tot deze categorie gerekend. De wijze van clustering van het voormalige badhuis c.a. wijkt af van de klassieke opbouw van een buitenplaats. Kenmerkend is het betrekkelijk willekeurige aaneenbouwen van de opeenvolgende fasen, die in massa en stijl verschillen. De bebouwingshoogte varieert van één tot drie lagen met kap.

Uitgangspunten welstandsbeleid

De bijzondere geschiedenis van het westelijke en zuidelijke landelijk gebied van Laag-Soeren en de nog aanwezige patronen, bebouwing en landschapskenmerken die daarmee samenhangen, zijn nog goed herkenbaar en van grote waarde. Het welstandsbeleid is daarom gericht op het behoud en de versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het van rijkswege beschermde dorpsgezicht van Laag-Soeren.

afdrukken
Beschermd dorpsgezicht Laag-Soeren